© Het Parool, 14-12-2001 - CORRIE VERKERK
Foto's van schepen en ruimen, maar vooral ook van de mensen:
arbeiders, met hun dikwijls verweerde koppen van het buitenwerk, trots
op hun handwerk. ''Dat werk was hun leven, de haven was van hen, zo voelden
ze dat. Saamhorigheid, dat was er,'' vertelt fotograaf Cor Jaring over
zijn werk in de Amsterdamse haven.Nooit realiseerde hij zich dat hij een
stukje verdwijnend Amsterdam voor de eeuwigheid vastlegde. ''De haven,
zoals ik die kende, is weg. Er staan grote gebouwen, kantoren, yuppenhuizen.''
De laatste twee jaar was hij er niet meer geweest. Tot het Fonds voor
de Kunst met die opdracht kwam: de nieuwe Westhaven fotograferen. Een
klus waar hij even aan moest wennen. ''Daar moest Ruigoord voor worden
opgeofferd. En in Ruigoord was ik zelf een van de eerste krakers.''De
nieuwe haven overviel hem als een futuristisch oord: onbegrijpelijke sciencefiction.
De doorgewinterde arbeider vond hij er niet meer terug. ''Wel allemaal
mannen met helmen en handtelefoons. Ach, het is eigenlijk ook maar goed
dat ze niet meer zo hard hoeven te werken als vroeger. Daar hebben we
toch voor gestreden.''Met al dat nieuwe erbij heeft hij nu 'de kop en
de staart' van de haven in beeld. En ze staan in een nieuw Jaringboek,
kortweg getiteld: De Amsterdamse Haven. De indringende zwartwitfoto's
van vroeger steken er scherp af bij recentere kleurenplaten als die van
de havenarbeider, eenzaam 'verstrikt' in een stalen web van een moderne
kraan. Vandaag werd, in het David en Goliath-restaurant bij het Amsterdams
Historisch Museum, een eerste exemplaar overhandigd aan burgemeester Job
Cohen. Het is ook het startsein voor een expositie van Jarings havenportretten.Met
al die activiteiten worden eigenlijk twee heuglijke feiten gevierd: het
gemeentelijk Havenbedrijf viert zijn honderdste verjaardag en Jaring zelf
viert zijn 65ste.Veel mannen die hij indertijd fotografeerde, moeten inmiddels
- mochten ze nog in leven zijn - de tachtig al zijn gepasseerd, realiseert
hij zich. De eerste gastarbeiders in de haven, Amsterdammers als Dove
Dirk, Schele Chris; de meesten leven vermoedelijk al lang niet meer, denkt
hij. ''Toch zou het wel wat wezen als er bij de presentatie ineens zo'n
ouwe knakker binnen kwam stappen.'' Van de nieuwe garde havenarbeiders
komen er zonder meer een stel: de jongens van de 'koperen ploeg'. ''Mooie
gasten. Die kennen elk hoekje van de haven op hun duim. Hebben me overal
mee naartoe gevaren. Elk schip slaan ze aan, leggen ze vast.''Een, toch
nog, avontuurlijk bestaan. Eigenlijk had hij zelf, vroeger, ook zeeman
willen worden. Zoals zijn opa's en ooms dat waren. In plaats daarvan belandde
hij als huidenklopper in de haven. ''Ingepekelde koeienhuiden uit Zuid-Amerika.
Dat stonk als de pest. We moesten er het zout uitslaan.''Aflosmatroos
is hij ook nog een poosje geweest. In deze krant legde hij dat al eens
eerder uit: ''Als de bemanning was gedrost, moest ik het schip helpen
verhalen, nakijken of de trossen genoeg slip hadden en meedraaien bij
de bediening als het hogere echelon aan boord bleef. Toch nog zeeman,
maar dan zonder monsterboekie.''Hij proefde er de saamhorigheid en de
haventaal: 'Pak die baal effe bij se tyfusoortje.' En op grote afstand
rook je al de kruiden, de tabak, de suiker en natte jassen. Al fotograferend
zag hij die samenhang langzaam maar zeker uit elkaar vallen. Pendelaars
kwamen er, zonder die bijzondere feeling met de haven. De boel werd 'aangeveegd'
en het werd almaar ruimer en ruimer.Vroeger, weet Jaring, kon je er uren
dwalen en dan had je het nog niet allemaal gezien: de schepen, de loodsen,
de mannen met hun gelooide koppen, spierballen en tatoeages. De romantiek heeft plaatsgemaakt voor computers, straddlecarriers (voertuigen die een
container kunnen verplaatsen) en allerlei speciale kranen. ''Daar kun
je toch niet omheen,'' zegt Jaring. Gisteren hing hij zijn foto's - een
doorsnee uit al die jaren - aan de muren bij David en Goliath. ''Dan krijg
ik toch tranen in m'n ogen. Ach, ik ben gewoon een sentimentele lul.
''Cor Jaring: De Amsterdamse Haven, uitgeverij Bekking
en Blitz (fl 69,50). Expositie tot en met 10 maart 2002; dagelijks 10-17
uur, in het weekeinde vanaf 11 uur.
|
|
Het Parool van 19-05-2001, PS van de week Interview, PETER VAN BRUMMELEN
Zet zes fotografen om een tafel en de menigen, anekdotes,
herinneringen, toekomstvoorspellingen, ergernissen en liefdesverklaringen
vliegen je om de oren. Wat de fotografen in dit rondetafelgesprek bindt,
is behalve een grote liefde voor het vak vooral hun enorme ervaring. Veteranen
van de Nederlandse fotografie. Ze namen ook nog ieder een eigen foto mee.
Cor Jaring, Boudewijn Neuteboom (staand), Frits Gerritsen,
Paul Huf, Bert Sprenkeling en Eddy Posthuma de Boer (vlnr).Het is een
bont gezelschap dat neerstrijkt in de bovenzaal van Café East of
Eden. Daar is Paul Huf (77), de grand old man van de Nederlandse fotografie,
stijlvol als altijd gekleed in een zomers tenue de ville. Aan zijn pols
bungelt een Ixus-cameraatje, vanzelfsprekend in de Gold-variant. Hij is
waarschijnlijk de beroemdste fotograaf van het land, bekend van zijn glamourportretten
en reclamewerk. Cor Jaring (64) is komen lopen, want hij woont vlakbij
in de Dapperbuurt. Altijd een gewone jonge gebleven, een voormalige havenarbeider,
die als persfotograaf zijn finest hour had in het Amsterdam van de roerige
jaren zestig. Eddy Posthuma de Boer (69), misschien wel Nederlands meest
bereisde fotograaf, werkte als freelancer voor bijna alle grote kranten,
maar publiceerde ook regelmatig in bladen als Avenue en Holland Herald.
Frits Gerritsen (76) fotografeerde voor zowel tijdschriften als reclamebureaus
en was gespecialiseerd in theaterfotografie. Bert Sprenkeling (66) was
zijn gehele werkende leven in dienst van Het Parool, als fotograaf en
(foto)redacteur. Boudewijn Neuteboom is, 59 jaar oud, de jongste. Hij
werkte lang voor Avenue, vooral als mode- en reisfotograaf, hield zich
daarnaast ook bezig met reclame en is tegenwoordig voorzitter van de PANL,
de Photographers Association of the Netherlands.Iedereen kent elkaar.
Ouwe fotografen krentenbrood, zeg maar. Nog voor de discussie is begonnen,
wordt er dan ook al druk geconverseerd. Om het gesprek enigszins te stroomlijnen,
leggen we de heren acht stellingen voor.
Te beginnen met:1.
Wij oudere fotografen hebben de glorie-jaren van
de fotografie nog meegemaakt.Eddy Posthuma de Boer neemt direct het woord.
Totale onzin, vindt hij. Niet vroeger, maar juist nu beleeft de fotografie
zijn gloriejaren. ''De laatste tien jaren heeft de fotografie een enorme
opleving doorgemaakt. Fotografen zijn veel beter opgeleid. Er wordt, door
kranten en reclamebureaus, ook veel intelligenter met hun product omgegaan.''
Paul Huf heeft zijn bedenkingen bij de nieuwe generatie fotografen. ''Ik
had ooit een gesprek met de grote Robert Capa. Hij zei dat, als je als
fotograaf eenmaal een bepaald niveau hebt bereikt, je daar ook nooit meer
onder komt. Vanaf dat moment ben je een professional. Bij veel jonge fotografen
mis ik die professionaliteit. Ik heb vaak het idee dat ze maar wat doen.
Ideetjes zijn het, gebbetjes, gekkigheidjes.''De tafel deelt zich op in
twee kampen. Boudewijn Neuteboom wijst op de huidige PANL-tentoonstelling,
waar volgens hem heel wat meer te zien is dan 'gekkigheidjes'. Cor Jaring
zegt te beseffen ongetwijfeld als 'ouwe lul' over te komen, maar is blij
als fotograaf de jaren vijftig en zestig te hebben meegemaakt. ''Toen
was het nog heel wat als je een foto in de krant had. Daar kon je bij
Scheltema een hele dag op teren. Zeiden ze: 'Je staat in de krant, hè
Cor.' Deed je een beetje nonchalant natuurlijk, maar van binnen stráálde
je.'' Bert Sprenkeling vertelt dat tot ver in de jaren zestig iedere foto
in de krant moest worden bevochten. ''Een krant van twaalf pagina's was
een dikke krant. Journalisten waren nauwelijks bereid hun ruimte af te
staan aan fotografen.''Fotografen waren vroeger ook echte knokkers, vindt
Paul Huf. ''Toen wij begonnen, was het niet eens een beroep. Die jongens
van nu hebben het aan ons te danken dat het dat is geworden.'' Hij ziet
echter ook problemen: ''Alles is al gedaan. Lijkt me heel vervelend, er
is gewoon niets nieuws meer te verzinnen.'' Wederom vindt hij Eddy Posthuma
de Boer tegenover zich. ''Ik merk op fototentoonstellingen dat jonge mensen
heel anders naar de wereld kijken dan wij. Ik zie allemaal van die bleekscheterige
meisjes in hun onderbroekies, recht van voren gefotografeerd en liefst
nog overbelicht ook. Mijn wereld is het niet, maar nieuw is het wel.
'2. Nederlandse fotografie kan zich in alle opzichten
meten met die uit het buitenland.Opmerkelijke eensgezindheid aan tafel:
iedereen onderschrijft deze stelling. Een voorzichtige tegenwerping: zou
het mogelijk zijn dat wij Nederlanders onszelf wel heel goed vinden, maar
dat we in internationaal opzicht toch niet veel voorstellen? Boudewijn
Neuteboom werpt zich, zoals steeds deze middag, op als verdediger van
vooral de nieuwe generatie fotografen: ''In Amerika zijn ze gek op Nederlanders.
Kijk naar het succes van Rineke Dijkstra, Dana Lixenberg, Inez van Lamsweerde.''
Cor Jaring wijst op een oudere Nederlander met succes in het buitenland:
Co Rentmeester. ''Hier kent geen hond hem, maar in Amerika is hij een
grootheid. ''Vergeet ook natuurfotograaf Frans Lanting niet,'' zegt Eddy
Posthuma de Boer. Op de valreep neemt hij al dat chauvinisme toch nog
even op de korrel: ''In de geschiedenis van de fotografie is de rol van
Nederland peanuts. Anders dan Frankrijk kunnen wij ons niet beroemen op
figuren als Doisneau, Cartier-Bresson en Brassai.
''3. De prijzen die tegenwoordig op veilingen worden betaald
voor fotografie, zijn absurd.Tonnen worden er soms neergelegd voor foto's,
zowel oude als nieuwe. Het is een ontwikkeling die Bert Sprenkeling zeer
verbaast. ''Ik denk altijd: als je het negatief nog hebt, maak je toch
gewoon een extra afdruk?'' Paul Huf wijst erop dat het verzamelaars vooral
om vintage prints te doen is: door de fotograaf zelf hooguit vijf jaar
na de opname gemaakte afdrukken. Jaring: ''Het is net zoals met oude etsen,
die zijn ook veel meer waard als ze door de maker zelf zijn afgedrukt.''
Een deel van het gezelschap heeft zelf met verzamelaars te maken. Een
door Eddy Posthuma de Boer gemaakte foto, een portret uit de vroege jaren
zestig van Gerard van het Reve, bracht bij veilinghuis Sotheby onlangs
1600 gulden op. ''Extreem veel, vond ik, voor een foto waarvan ik zelf
dacht: nou ja, tralala.''Posthuma de Boer vertelt dat in het verleden
bij kranten als Het Parool en de Volkskrant foto's gewoon in de vuilnisbak
gingen: ''Wat ik je zeg: geruimd.'' Sprenkeling maakte het zelf mee: ''Hooguit
tien procent ging het archief in.'' Neuteboom weet dat het ook bij reclamebureaus
gewoonte was foto's hooguit vijf jaar te bewaren. De legendarische foto's
die Paul Huf maakte voor de 'Vakmanschap is meesterschap'-campagne van
Grolsch zijn goed geconserveerd. Huf: ''Maar dat heb ik zelf gedaan. Ik
fotografeerde types als touwslagers en glasblazers. Ik dacht: dit is misschien
de allerlaatste touwslager van Nederland, het is zaak dat ik dit goed
bewaar.''Die huizenhoge prijzen die tegenwoordig voor foto's worden betaald,
vindt Paul Huf 'totaal hysterisch', zeker als het om nieuw werk gaat.
Hij vindt Frits Gerritsen recht tegenover zich: ''We moeten daar als fotografen
juist blij mee zijn.'' Boudewijn Neuteboom: ''Ik vind het een geweldige
ontwikkeling. Al die aandacht geeft aan hoe serieus fotografie tegenwoordig
wordt genomen.'' Ja, even serieus als, pakweg, de schilderkunst, en dat
is mooi, meent ook Huf. ''Maar wat ik dan zo jammer vind, is dat zoiets
blijkbaar alleen in cijfers kan worden uitgedrukt.'' Hij is bovendien
geen groot liefhebber van veel van de huidige kunstfotografie. ''Een regelrechte
hype,'' zegt hij over Rineke Dijkstra. ''In die hoek zien ze achteraf
van alles in een foto. In onze tijd was een foto goed of slecht, nu wordt
er van alles in gelegd. Zie je een foto van een jongetje in z'n zwembroekje,
zijn piemeltje gekrompen van de kou, beginnen ze te kakelen: Oh, kijk
eens hoe kwetsbaar, gevoelig en breekbaar. Ik kots daarvan.
''4. Amsterdam krijgt een fotomuseum. Het zou tijd worden
ook.Mooi, dat Foto Instituut in Rotterdam, maar het zou belachelijk zijn
als Amsterdam geen eigen fotomuseum kreeg, vindt iedereen. Cor Jaring:
''Waar wonen de meeste fotografen: hier toch zeker?'' Paul Huf was achttien
jaar betrokken bij de totstandkoming van een Amsterdams fotomuseum. ''Drie
jaar geleden heb ik me teruggetrokken. De politiek is er nu mee bezig.
Zoals het er nu naar uitziet, komt er een tijdelijk fotomuseum in voormalig
Museum Fodor, daarna gaat het waarschijnlijk naar het Conservatorium,
recht tegenover het Stedelijk Museum.'' Dat Stedelijk doet anders maar
weinig voor de Nederlandse fotografie, vindt iedereen. ''Terwijl ze ooit
zo'n mooie start hebben gemaakt,'' zegt Frits Gerritsen. ''In 1948 had
de Gkf, de beroepsvereniging van fotografen, er een grote tentoonstelling
en een tijd lang kreeg die om het jaar een vervolg. Maar dat was onder
Sandberg; de directeuren daarna hadden weinig met fotografie.''Eddy Posthuma
de Boer brengt in herinnering dat Joop Swart, de man die Avenue verzon,
zich nog sterk heeft gemaakt voor een fotomuseum in de voormalige Boerhaavekliniek,
het pand aan het Museumplein waar tegenwoordig Joop van den Ende zetelt.
''Fantastisch plan, maar de politiek wilde er niet aan.'' Boudewijn Neuteboom
heeft goede herinneringen aan de Canon Gallery aan de Prinsengracht: ''Sinds
die is opgeheven, zwerven fotografen een beetje door de stad. Het ontbreekt
aan een echte ontmoetingsplek. In die behoefte moet dat nieuwe museum
voorzien.
''5. Ed van der Elsken is de beste Nederlandse fotograaf
ooit.Ze hebben hem allemaal gekend, de anekdotes vliegen over tafel. Een
rouwdouwer, een mannetjesmaker, brutaal, een patjepeeër en rücksichtslos
wordt hij genoemd, maar men zegt het allemaal met liefde. Huf: ''Een onmogelijk
verschijning, gehuld in een soort bontvel, maar hij kwam overal mee weg.
De ruigste types zette hij zonder problemen op de foto. Wij zouden in
elkaar geslagen worden, hij lulde maar door: Hé lekker geil wijf,
kijk 'es effe deze kant op!''Een legendarische figuur, die Van der Elsken,
maar hoe was zijn werk? ''In het soort werk dat hij maakte, was hij de
beste,'' zegt Bert Sprenkeling. Boudewijn Neuteboom: ''Als ik aan Van
der Elsken denk, denk ik aan dat boek Sweet Life: fantastisch! Maar ik
vind hem vooral goed als zwartwit fotograaf, zijn werk in kleur is een
heel ander verhaal.'' Waarna meer kritiek volgt. Frits Gerritsen: ''Of
ik iets van hem heb geleerd? Welnee, ik maak alleen maar mooie dingen.''
Huf: ''En het is pijnlijk, maar in Parijs is hij eigenlijk toch mislukt.
Eén keer kreeg hij een opdracht van Magnum, voor een modereportage,
en die heeft hij verknald. Maar toen hij lid wilde worden van de Gkf en
ter beoordeling foto's uit datzelfde Parijs liet zien, waren we daar met
z'n allen zwaar van onder de indruk. Ik weet nog dat we tegen elkaar zeiden
dat niemand van ons ooit nog foto's van mensen voor affiches mocht maken.
Die waren vanaf dat moment definitief van Ed.''Ed van der Elsken was goed,
maar de beste was hij zeker niet, vindt de tafel. De allerbeste is ook
niet aan te wijzen, maar gevraagd wie er tot de top behoren, komt men
tot deze namen: Cas Oorthuys, Jacob Olie, Breitner, Piet Zwart en Henri
Berssenbrugge. Over Ed van der Elsken wil Eddy Posthuma de Boer nog kwijt
dat hij in elk geval 'de meest idiosyncratische fotograaf' van Nederland
was. Jaring verslikt zich in zijn bier. ''Idiootsie-wat?
''6. Krantenfoto's zijn vaak te choquerend.''Niet de fotografie,
maar de wereld is choquerend,'' vindt Huf. Eddy Posthuma de Boer: ''Laatst
stond voorop de Volkskrant een vent met een enorm bebloede kop. Zúlke
stukken zijn daar vervolgens over geschreven: dat kón toch niet.
Ik zou niet weten waarom niet. Als zulke dingen gebeuren, moet je ze laten
zien.'' Er is niets nieuws onder de zon, vindt hij: ''Toen ik vijftien
was, stonden in de kranten en tijdschriften al afschuwelijke foto's uit
de concentratiekampen. Nog veel eerder zijn er tijdens de Krimoorlog prachtige,
maar ontzettend bloederige foto's gemaakt.''Bert Sprenkeling gelooft wel
dat de grenzen zijn verlegd: ''In 1963 was ik als fotograaf bij de grote
treinramp van Harmelen. Hoofden lagen op de treinrails, en in de berm
losse armen en benen. Ik moest eerst een kwartiertje op een paaltje zitten
voor ik aan het werk kon. Ik heb toen een priester gefotografeerd die
bovenop een gekantelde wagon door een gat stervende mensen de laatste
sacramenten gaf. Echt harde foto's kon ik in Het Parool in die tijd niet
kwijt. Ik heb een keer gefotografeerd hoe een auto uit het water werd
gehaald. Is niet geplaatst omdat daarop ook de verdronken bestuurder te
zien was. Mensen vonden het toen al vervelend een foto van een omgevallen
fietser te zien.'' De omstreden foto van de bij de vuurwerkramp van Enschede
omgekomen jongen komt ter sprake. : ''Twintig jaar geleden zou zo'n foto
niet hebben gekund. Nu zou ik hem zeker plaatsen.''Frits Gerritsen vermoedt
dat harde persfoto's, zoals we de laatste jaren in de kranten zagen, hun
beste tijd hebben gehad: ''Kijk naar de meest recente winnaars van World
Press Photo en de Zilveren Camera: geen ellende te zien. Volgens mij is
dat het begin van een kentering.
''7. Photoshop zal het aanzien en de betekenis van de
fotografie voorgoed veranderen.De digitale revolutie heeft ook dit gezelschap
bereikt. Helemaal vertrouwd voelt men zich er nog niet mee. Frits Gerritsen
werkt regelmatig met een digitale camera. ''Maar voor de zekerheid neem
ik toch altijd ook een Hasselbladt mee.'' Cor Jaring: ''Waarschijnlijk
ben ik de alleroudste lul hier, want ik snap echt niks van dat soort spullen.
Ik dacht: echt wat voor mij, je drukt op een knoppie en twee seconden
later hebben ze op een krantenredactie je foto binnen. Dus ik koop twee
jaar geleden de allerduurste laptop. Nou, ik kan hem inmiddels aan- en
uitzetten, maar verder kom ik niet.''Paul Huf heeft zich de digitale technieken
allang eigen gemaakt. Gek is hij er niet op. ''Fotograferen hoort een
totaal gevoel te zijn: een foto nemen, ontwikkelen, afdrukken. Ik vind
het noodzakelijk dat ik één word met mijn foto, en dat kan
volgens mij alleen op die manier. Een jonge fotograaf ziet alleen dat
beeld achter op zijn camera. Hij weet niet eens meer wat een doka is.''
Posthuma de Boer werpt tegen dat voor de jonge fotograaf Photoshop de
donkere kamer is: ''Wij konden alleen de lucht een beetje doordrukken,
met die digitale techniek kan veel en veel meer.'' Juist de oneindige
mogelijkheden tot manipulatie baren Bert Sprenkeling zorgen. ''Als op
een portret uit iemands hoofd onbedoeld de Munttoren steekt, kun je die
nu zo weghalen. Dat vind ik ontoelaatbaar. Ik heb ook wel eens staan doordrukken,
maar ik heb nooit het beeld zelf veranderd.''Boudewijn Neuteboom vindt
Photoshop een zegen, met zeker voor de reclame- en kunstfotografie ongekende
mogelijkheden. Maar net als de andere aanwezigen vindt hij dat de persfotograaf
zich verre dient te houden van dergelijke beeldmanipulaties. Intussen
gebeurt het wel, vaak zo geraffineerd dat het niemand opvalt. Kan de persfotografie
nog wel aanspraken maken op de waarheid? Volgens Posthuma de Boer is ook
hier niets nieuws onder de zon. ''Dat gebeurde toch al ten tijde van Stalin
en Hitler. Wie uit de gratie was, werd gewoon weggeretoucheerd.'' Maar
het mag niet, zegt iedereen nog eens eensgezindheid.Frits Gerritsen werpt
een interessante vraag op: ''Maar we hebben toch allemaal wel eens zitten
rotzooien met het beeld?'' Hij steekt de hand in eigen boezem. ''Ik moest
in opdracht van de Nederlandse grammofoonplatenboeren eens een portret
maken van Toon Hermans, Wim Sonneveld en Wim Kan. Hermans kwam niet opdagen.
Heb ik hem er later in gemonteerd. Kostte een fortuin, maar was niet van
echt te onderscheiden.'' ''Frits toch!'' zegt Sprenkeling.Maar dan volgen
schoorvoetend andere manipulatieverhalen uit het pre-digitale tijdperk.
Huf moest een keer een toneelgezelschap fotograferen toen een van de acteur
verstek liet gaan. ''Heb ik een ander op zijn plek neergezet. Het bewuste
hoofd heb ik er later aan toegevoegd.'' Posthuma de Boer fotografeerde
tijdens Prinsjesdag ooit in de Ridderzaal. ''Ik wilde het hele kabinet
op één foto, maar ze zaten verspreid op twee banken die
net iets te ver van elkaar afstonden. Heb ik twee negatieven in elkaar
vergroot, stonden ze er toch met z'n allen op. Eigenlijk kon het niet
niet, maar het was ongevaarlijk.''Cor Jaring vreest over te komen als
'een gereformeerde zeikert', maar zegt zich altijd verre te hebben gehouden
van dergelijke praktijken. Echt nooit gedaan? ''Vooruit: ik heb een keer
een foto gemaakt van mijn vrouw en d'r schoonzussie, allebei in zo'n ouderwets
badpak op het strand. Zie ik die foto en denk ik: wat een korte beentjes
heeft ze daar. Vond ik ook sneu voor haar natuurlijk, dus toen heb ik
het vergroot apparaat een beetje scheef gezet, en wat denk je? Zúlke
benen.
''8. Máxima is een zegen voor de fotografie.''Ik
ben republikein, dus hier wens ik niets over te zeggen,'' spreekt Posthuma
de Boer streng. De strengheid is gespeeld, want in het verleden is hij,
net als Paul Huf, ook hoffotograaf geweest. Bert Sprenkeling heeft zich
eraan geërgerd hoe Nederlandse kranten zich op het Keukenhofbezoek
van Willem-Alexander en Máxima hebben gestort: ''Echt, daar word
ik ziek van. In Het Parool: een hele pagina foto's! Ik snap best dat je
er aandacht aan moet besteden, maar dat is toch véél te
veel?''Paul Huf voorziet dat Máxima een nieuwe Diana wordt. ''De
mensen hebben blijkbaar zo iemand nodig. Ze willen iemand verafgoden,
wat ik eigenlijk heel triest vind, en sommige fotografen spelen daar slim
op in.'' Posthuma de Boer: ''Die Kok heeft het ook allemaal zo handig
gespeeld. Heb je die persconferentie bij de verloving gezien? Vooraan
stonden de fotografen van Weekend, Story en Privé, daarachter pas
de serieuze persfotografen. Het was duidelijk dat Kok vooral het gewone
volk warm voor Máxima wilde maken.'' Zouden ze zelf Máxima
willen fotograferen? Huf: ''Er valt nu al geen eer meer aan te behalen.
Vroeger was er eens in de zoveel tijd, bij een verjaardag of zo, gelegenheid
iemand van het koninklijk huis te fotograferen. Nu heeft de complete fofojournalistiek
haar al eens gecoverd. Echt, daar valt niets meer mee te doen.''Niet dat
het vroeger allemaal van een leien dakje ging als hij exclusieve hoffoto's
mocht maken. ''De koningin met een kroon op haar hoofd? Welnee, het moest
allemaal zo gewoon mogelijk. En je had je spullen nog niet uitgepakt of
er kwam een secretaresse vragen of je al bijna klaar was.''Eddy Posthuma
de Boer: ''Ga je die anekdote van Prins Bernard nog vertellen, Paul, of
zal ik het maar doen? Goed. Paul ging een keer op Soestdijk Bernard en
Juul en die meiden fotograferen. Hij in de weer met een lamp zus en een
lamp zo, hij maakt eens een polaroid om te kijken of het goed is. Zegt
Bernard: Herr Huf, heeft u al een datum in uw agenda geprikt waarop u
de foto gaat maken?''Eddy Posthuma de Boer: Middagspits Haarlemmerplein,
november 1957. ''Een van de twaalf beste foto's uit mijn beginperiode,
of zeg maar een uit de top honderd. De compositie is goed, en er is geen
centimeter onbenut gelaten.'' Paul Huf: Charles Roelofsz, schilder. ''Uit
het begin van mijn portretfotografie. De tijd dat je met één
of hooguit twee 9/12 glasplaten werkte, en niet 144 keer knipte voor een
foto zoals tegenwoordig. De zuinigheid dwong je heel goed te kijken. Ik
wist meteen: dit is goed.'' Cor Jaring: Bruiloft Beatrix en Claus. ''Ik
mocht geen perskaart, want ik liep altijd met provo mee. Dat was mijn
geluk. Terwijl de rest van de fotografen opeengepakt op een tribune op
de Dam zat, stond ik tot mijn knieën in de rookbommen. Daar was ineens
die malle smeris met dat grote apparaat.'' Bert Sprenkeling: Veteranendag
paleis Soestdijk, juli 1981, verjaardag prins Bernhard. ''De enige die
ik kon vinden. En het is een van de de laatste foto's die ik gemaakt heb.
Ik was al fotoredacteur, en ik kon geen fotograaf vinden die op zaterdag
naar Soestdijk kon. Heb er nog de prijs van de provincie Utrecht voor
gekregen.'' Frits Gerritsen: Ngoro-krater in Tanzania. ''Dit is bijna
de mooiste plek op aarde. Een privéfoto, heeft nooit ergens ingestaan.
Heb hem gekozen omdat het een liefelijke foto is. Stoppen met werken?
Ik zou niet weten hoe dat moet.'' Boudewijn Neuteboom: Bont, Siberië.
''In 1968 was dit een volstrekt nieuwe benadering in de modefotografie.
Er is niks bedachts aan, het is onbevangen. Ineens werd het een landende
vogel. We gingen met twintig hutkoffers in treinen en vliegtuigen naar
Siberië. Enorm gedoe. We waren daar, geloof, ik de tweede groep toeristen.
Wel zo'n beetje de enige keer dat ik voor Avenue naar het buitenland ben
geweest, hoor.''
|